14 oktober 2009

Snuffelen in de Sont Tolregisters

Deze week zijn de scans van de Sont Tolregisters online gekomen, wat mij de gelegenheid geeft om onderzoek te doen zonder steeds naar Amsterdam te reizen. Vroeger bekeek ik de films van de registers bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG), wat toch wel een hele onderneming was. Maar nu kan het dus gewoon thuis.
Ik heb eerst mijn voorvader Pieter Velt maar eens getraceerd. Ik wist al dat hij op 13 augustus 1723 de Sont was gepasseerd, komend vanuit de Oostzee. Maar verdere details waren niet bekend. De inschrijvingen in de registers zijn gelukkig geordend naar de nationalisteit van de schippers. Voor de heenreis van Pieter Velt had ik het volgende deel nodig:

Daar staat:
Hollandske Skibe kommer fra Westersøen, ofwel
Hollandse schepen, komend van de Westzee

De Denen maakten verschil tussen de Oostzee, ten oosten van de Sont en de Westzee, uiteraard ten westen van de Sont.
Ik vond de inschrijving van Pieter gedateerd op 13 juni 1723:

De tekst luidt:
135 Pieter Velt af Amsterdam kommer fra ibid, vil til Østersöen med ballast
Fijrpenge 2 wat betekent:
135 Pieter Velt van Amsterdam, komt van idem, wil naar de Oostzee met ballast
Vuurtorengeld 2 [Riksdaler]

Pieter had zijn schip geladen met stenen, om stabiel op het water te liggen tijdens de reis. Hiervoor hoefde niet betaald te worden, hij diende alleen 2 Riksdaler te betalen voor het vuurtorengeld. Dat was een algemene belasting voor schepen. Als bestemming werd slechts de Oostzee opgegeven, wat betekende dat hij diverse havens zou aandoen, op zoek naar handel.
En die handel heeft hij gevonden in Riga, getuige de inschrijving van 13 augustus 1723:


136 Pieter Felt af Hoorn kommer fra Riga vil til Amsterd[am]
med 116 last klapsalt 2 d[ale]r 20 st
20 sstt Tamp 3 d[ale]r 16 st
Fijrpenge 4 d[ale]r

Pieter blijkt dus zaken te hebben gedaan in Riga. Hij kwam uit Venhuizen, vlakbij Hoorn en hij zeilde naar Amsterdam. Met 116 lasten zout en 20... Ja, 20 wat eigenlijk volgens een andere bron had hij masten bij zich, kaarsrechte stammen van de pijnboom. Maar dat haal ik er nog niet uit. Oud Deens is niet een van de talen die ik vloeiend beheers, helaas. Wel moet hij nu dubbel vuurtorengeld betalen omdat zijn schip een waardevolle lading aan boord heeft.

+++update+ Uit Denemarken kreeg ik hulp bij het ontcijferen en het blijkt dat er geen Tamp staat, maar Hamp. En dat is oud Deens voor hennep. De sstt is een bepaalde maat, ik gok op een baal.

Store tak, Kathrine!!

+++update 2+++ Ik kreeg een mail van D. Boone waarin staat dat het klapholt moet zijn en geen klapsalt. Dat zijn gespleten lange stukken eikenhout waar later duigen voor vaten van worden gemaakt. hij had 116 Skik. Een Skik, of Skok, is 60 stuks, dus alles bij elkaar 6960 stukken eikenhout.
En op de onderste regel staat 20 sktt, ofwel 20 scheepsponden Hamp (= hennep). Een scheepspond is 162,5 kilo. Dus aan hennep vervoerde hij 3250 kilo. Best een volgeladen schip, dus.
En de munteenheid van de bedragen is de Sk ofwel de Skilling (uit te spreken net zoals de oude Engelse Shilling).

Hartelijk dank!!

04 oktober 2009

Stiekem gedoopt in 1751

Mijn voorvader Guilielmus Rigole was militair en zoals in de 18e eeuw gebruikelijk was vergezelde het gezin hem. Het regiment was in 1751 gelegerd in Kampen, toen zijn zoon Jacobus werd geboren. De familie was Katholiek, dus diende de doop in het geheim plaats te vinden. In het doopboek van de Paterskerk van Kampen staat:


De Paterskerk was een zogeheten schuilkerk, die was verstopt in een woonhuis van een rijke familie aan de Voorstraat. De missen werden gelezen door de Paters Franciscanen, vandaar ook de naam van de kerk. De bestuur van de stad Kampen had zelfs een speciale nachtschout in dienst, die erop moest toezien dat er geen "Paapse gedragingen" voorkwamen. Ik kan me voorstellen dat die man was bewapend met een knuppel en er bij het minste geringste op los sloeg.
In de 18e eeuw verkregen de paters het gebouw in eigendom. Tegenwoordig ziet het pand er uit zoals op de volgende foto:


De linker onderkant van het gebouw ziet er misschien een beetje vreemd uit, maar dat komt doordat daar tijdens het maken van de foto een foeilelijke auto geparkeerd stond en die heb ik dus even weggepoetst met de computer.

08 augustus 2009

Op zoek naar een huis in Haarlem

Uit de papieren van het Proveniershuis in Haarlem werd duidelijk dat mijn voormoeder Catharina Maria Crebast had gewoond in huisje nummer 32.


In de lijst met huisje en hun bewoners stond vermeld dat nummer 32 aan de noordzijde van het hofje lag. Kortom, ideaal om even ter plekke te gaan kijken er een foto te maken van het huisje in kwestie. Helaas, het bleek dat de nummering in de loop van de tijd was aangepast. De huisjes in het hofje hebben tegenwoordig een nummer aan de Grote Houtstraat, bijvoorbeeld 144h. Het klassieke dilemma bij hofjes, hoe breng je ze op een nette manier onder in het adressensysteem van de gemeente. Gewoon doornummeren met volgletters is de keuze die meestal wordt gemaakt.
Helaas voor mij verdween daarmee het oude nummer. Maar, de Kennemer Atlas bleek een oude plattegrond te hebben van het Proveniershuis, met daarop alle huisnummers. Het was schitterend weer, dus ben ik maar even doorgelopen naar het archief aan de Kleine Houtweg, want daar worden de materialen van de Kennemer Atlas bewaard. Met het volgende resultaat:


Met een foto van de kaart weer terug naar het hofje en toen werd het duidelijk. Het huis met nummer 36 draagt tegenwoordig nummer 144a. Nummer 34 werd 144b, 33 werd 144c en 32 werd 144d. En dat heb ik dus maar even op de foto gezet:


Het dakkapelletje met de open ramen is van huisje 144c. Overigens fascinerend om te zien dat het hofje in 300 jaar eigenlijk niet is veranderd. Okee, de bomen zijn wel ooit opnieuw geplant en de dakpannen zijn gemoderniseerd. Ook is het steegje naast huisje 36 verdwenen, maar voor de rest lijkt het alsof de tijd heeft stilgestaan. Het kantoor, dat op de kaart vermeld staat, is tegenwoordig in gebruik bij een horecagelegenheid met de welluidende naam Juffrouw zonder zorgen. Een verwijzing naar de vroegere bewoners van het hofje, die werden voorzien van alle benodigdheden zoals spijs en drank. Ook kregen ze voldoende turf om het huisje te verwarmen en olie en kaarsen voor verlichting.

26 juli 2009

Een @ van ruim 200 jaar oud

Toen de email-adressen werden uitgevonden was men op zoek naar een teken dat heel weinig voorkwam, en dat dus mooi gebruikt kon worden om naam en adres van elkaar te scheiden. De keus viel op @, zodat het mailsysteem een bericht aan naam@adres.ext keurig naar meneer of mevrouw "naam" in domein "adres.ext" kon sturen.
Dat teken @ bestond al geruime tijd, en bij onderzoek duikt het her en der op. Zo ook op een brief, die een familielid van mij in 1796 stuurde naar de Richter (het hoofd) van de Evangelische Broederschap in Zeist. Inderdaad: Herrn Richter@Zeist, oordeel zelf:

19 juli 2009

Vondst via een lange omweg

Al ruim vier jaar ben ik op zoek geweest naar het overlijden van mijn voormoeder Catharina Maria Crebast. Zij is geboren in 1722 in Groningen en werd in 1744 in Zaandam ingeschreven als lidmaat van de Evangelisch Lutherse kerk. Daar kreeg zij kennis aan Dirk Simonsz en er werd getrouwd op 8 augustus 1751. Het echtpaar kreeg twee kinderen, Hendrik (1758) en Maria Geertruijda (1760).
Vader Dirk voer op Suriname met het fregat de Johanna Baldina. Dit schip sloeg in 1768 te pletter op de kust van Frans Guyana. In een vliegende storm werd het fregat op het rotseilandje Le Connetable geworpen. Slechts drie opvarenden overleefden de ramp, en zij brachten het slechte nieuws naar Nederland.
Catharina Maria hertrouwde in 1771 met Coenraad Hendrik de Witt, waarna ze verhuisde naar Amsterdam. En toen liep het onderzoek vast en liet ik het een beetje liggen. Je moet nooit te lang op een bepaald probleem blijven staren, want dan komt er nooit wat van terecht. En de andere familietakken boden nog genoeg uitdagingen.
Een paar weken terug ging ik toch maar weer eens spitten, nu in het stadsarchief van Amsterdam. En daar bleek, dat Coenraad in 1787 was overleden. In 1793 woonde zijn weduwe in Zaandam, wat ik wist doordat ze daar een acte van consent voor het huwelijk van haar dochter had laten passeren.
De begraafboeken en impostregisters van Westzaandam heb ik allang vergeefs doorzocht om het overlijden van Catharine Maria te vinden. Absoluut niet te vinden. Jammer maar helaas.
En dan komt internet te hulp, op de website van Het Utrechts Archief vind ik zowaar een vermelding van haar naam, aangaande correspondentie met de Herrnhutters te Zeist. In slot Zeist was namelijk het hart van de Evangelische Broedergemeenschap gevestigd en alle (neem ik aan, het zijn er in elk geval veel) brieven die daarheen werden gestuurd, zijn bewaard gebleven. De ondertekening van de laatste brief ziet er zo uit:

De brief bevatte helaas geen jaartal en ook geen adres. Ik had dus wel wat gevonden, maar het gaf niet echt een hint voor verder onderzoek. Bij het doorbladeren van de index zag ik, dat er ook twee brieven waren van dochter Maria Geertruijda. Die dan ook maar opgevraagd en toen zag ik het volgende:


De dochter woonde in 1790 in Amsterdam en zes jaar later in Haarlem. Dat kwam door haar huwelijk in 1793 met Johan Jacob Reuss, die in Haarlem woonde. En toen kreeg ik de gouden ingeving: stel nu, dat moeders uiteindelijk ook naar Haarlem was gegaan, om bij dochter en schoonzoon in huis te wonen, bijvoorbeeld. Eén blik in de Index Begraven van het Noord-Hollands Archief was voldoende om het volgende kaartje te voorschijn te toveren:

Op het kaartje een verwijzing naar het zogeheten puiboekje, een gedrukte lijst van huwelijken en overlijdens die iedere maand weer werd gemaakt. De boekjes zijn ingebonden en ze staan in de kast op de studiezaal. Het puiboekje van januari 1800 meldt het volgende:

Zo, dat puzzeltje is dan eindelijk opgelost. En dan dient zich meteen weer een nieuwe aan, want waar zijn Maria Geertruijda Simonsz en haar echtgenoot Jacob Johan Reuss gebleven? Van beiden is in Haarlem niets meer terug te vinden. De tijd zal het leren.

Update:
Zo, dat duurde een stuk minder lang dan ik had gedacht, namelijk niet meer dan 4 uur en 51 minuten. Weer een gouden ingeving: de virtuele studiezaal van het CBG, afdeling familieadvertenties. Zoeken op de naam Reuss en ja hoor, de overlijdensadvertentie van Marie Geertruida Simonsz, 28 oktober 1806 in... Rotterdam!

27 juni 2009

Kassa!

Als de tarieven van de spoorwegen met meer dan een paar procent worden verhoogd, dan schreeuwt men links en rechts moord en brand. Ik moest daar aan denken toen ik in het archief van Bunschoten een plakkaat uit 1709 aantrof, dat de betaling van het zogeheten hoorngeld regelde. Dat was een belasting op vee, voor iedere koe diende een bedrag te worden betaald. In het plakkaat staat onder andere:

Even snel rekenen en je ziet dat hier sprake is van een verdubbeling van het bedrag, ofwel een verhoging met 100 procent. Per koe moest geen 8 gulden meer worden betaald, maar 16 gulden. Tevens werd de betalingstermijn, die voorheen acht dagen bedroeg, verkort tot vier dagen. En wie zich daar niet aan hield, kon een boete tegemoet zien. Hoezo, de goede oude tijd?


Met een muisklik op het plaatje hiernaast komt het plakkaat groter in beeld.

19 juni 2009

Grof geweld in het archief

Even een waarschuwing vooraf, mensen die hopen nu een bloederig verhaal te lezen over "moord ende doodslagh" in de archiefwereld moet ik teleurstellen. Het verhaal gaat namelijk over iets heel anders.
Hoe begon het allemaal? De Groninger Archieven hebben het geweldige plan opgevat om scans te maken van alle DTB-boeken van de provincie en daar trof ik bij de trouwinschrijving in de Stad Groningen de volgende vermelding van een voorouder aan:



De datum van het huwelijk was al bekend, maar nieuw voor mij en de rest van de familie was, dat er een akte van consent (= toestemming) is opgemaakt. De inschrijving uit Groningen weet zelfs de datum (15 maart 1718) te vermelden, doch laat verstek gaan bij de naam van de notaris.
Ik wilde die akte toch wel graag zien, wie weet wat daar allemaal voor extra informatie in staat. Dus het plan was simpel: doe een zoektocht in de index van het notarieel archief van Amsterdam, vraag de akte aan, maak er een foto van en klaar is Kees.
Nou, Kees zou dan klaar kunnen zijn, maar ik zeker niet. In de index (die erg beperkt is) komt geen verwijzing naar de akte in kwestie voor.
Uit de wiskunde ken ik de techniek "Brute force", waarmee wordt bedoeld dat wanneer een bepaalde waarde niet direct te berekenen is, deze door het doen van een groot aantal deelberekeningen toch benaderd kan worden. Getallenkraken, wordt dit ook wel genoemd. Vertaald naar het archiefwezen komt dit neer op: selecteer alle akten waar de gezochte akte tussen kan zitten, en blader die allemaal door.
Zo gezegd zo gedaan. Eerst maar een lijst maken van de notarissen, die op 15 maart 1718 aktief waren in Amsterdam. Dat waren er, schrik niet, 67. Via de inventaris op de website van het Stadsarchief heb ik alle aanvraagnummers opgezocht en op een lijst gezet. Aan de hand van die lijst werd begonnen met zoeken. In de trant van: archiefstuk aanvragen, ophalen, doorbladeren tot 15 maart 1718, kijken en weer terugbrengen als de akte er niet in zit. Daarna weer terug naar stap 1.
Ik heb dit in totaal 25 keer moeten doen (soms met een boek van 1,5 kilo, soms met een pak van meer dan 6 kilo) en bij pak 26 had ik eindelijk beet! De akte is gevonden en nu is het zaak er een mooie transcriptie van te maken. Hier is alvast het voorloopvel:

16 juni 2009

Verwarring in Bunschoten

Bij het maken van een transcriptie van het lidmatenregister van Bunschoten kwam ik een ingewikkelde inschrijving tegen. In die tijd zal de situatie best wel voor wat ophef hebben gezorgd.

Wat is er toen precies gebeurd? Beetie Cornelis vertrok vanuit Bunschoten naar Amsterdam, vanwaar het bericht kwam dat zij in mei van het jaar 1704 was overleden. Dit werd keurig aangetekend in het lidmatenboek van de kerk. Maar, in november 1705 kwam zij - levend en wel - weer terug in het dorp. Een jaar later overleed zij in Bunschoten. De transcripties van het lidmatenregister van Bunschoten zijn online te zien op de site van het project Van Papier naar Digitaal.

23 mei 2009

Een verrassing te Amsterdam

Ik kom nog een keertje terug op een ondertrouwakte die al eerder op dit blog heeft gestaan. Het gaat om het huwelijk van Lammert Brinkel en Trijntje Pieters uit 1727. Bij de vorige plaatsing ging het me om het woord mottje (wat tante blijkt te betekenen), nu gaat het om wat anders:

Want wat staat daar nu precies? Het gaat om Lambert Brinkel van A. Dat laatste is een afkorting die Amsterdam betekent en die ontzettend vaak werd gebruikt. Ik ken uit Amsterdam eigenlijk geen ondertrouwakte waarin de plaatsnaam voluit is geschreven.
Goed, Lambert kwam dus uit Amsterdam en ik heb een uitvoerige zoektocht gehouden naar zijn doop en zijn ouders. Resultaat? Nul-komma-nul, tot aan gisteren, toen ik de boedelpapieren van de Diakenen onder ogen kreeg. Lammert was namelijk overleden in 1770, met achterlating van twee minderjarige kinderen. Van het voorval werd een dossier gemaakt en daar zat ook een doopbewijs van Lambert in:

Hela, niks Amsterdam maar Bunschoten. Dat verandert de zaak, nu kan ik weer een zoektochtje beginnen, hopelijk met meer resultaat.
Hoe kon dit nou gebeuren? In Amsterdam werd haast aan de lopende band getrouwd en degene die de akte moest opstellen volstond meestal met de vraag naar het woonadres en als dat in Amsterdam was, nam hij wellicht aan dat betrokkene daar ook was geboren. Dat werd snel opgeschreven, de twee tortelduifjes mochten hun handtekening zetten en dan was het volgende bruidspaar alweer aan de beurt. Haastwerk dus, waardoor de genealoog van tegenwoordig op het verkeerde been wordt gezet.

25 april 2009

Met hulp terug naar Oudewater

Mijn voorvader Jan Spanjaert trouwde in 1670 voor de tweede keer. Zijn eerste huwelijk werd gesloten in 1658 in Amsterdam, met Grietje Jans. Op de ondertrouwinschrijving staan twee bijzondere feiten, namelijk dat Grietje afkomstig is van Oudewater en dat zij de weduwe is van Dirck Ariaensse. Zie het onderstaande fragment uit de akte:



Grietje kwam dus uit Oudewater, maar waar kwam Dirck vandaan? In die tijd werd er meestal getrouwd in de woonplaats van de bruid (uitzonderingen daargelaten) en via die vuistregel zou het huwelijk dus te vinden moeten zijn. Ik zag mezelf al bladzijde na bladzijde van het trouwboek doorworstelen om de vermelding te vinden. Maar gelukkig had iemand dat monnikenwerk al gedaan en het resultaat laten plaatsen bij Hogenda. Dank aan G.W. Brouwer-Verheijen voor het transcriberen van het trouwboek van Oudewater. In de lijst staat:



Dirck blijkt dus ook uit Oudewater te komen. Meteen is de trouwdatum ook bekend en kan ik gaan zoeken naar de inschrijving in het trouwboek zelf. Dat is op te roepen via het project Van Papier naar Digitaal (VPND). Onder de provincie Utrecht staan de boeken van Oudewater, en die leveren het volgende op:



Op de site van de Hollandse Genealogische Databank (Hogenda) staat ook een transcriptie van het doopboek van Oudewater. Ik vond daar een aannemelijke kandidaat voor Dirck (geboren in 1615). De volgende gang is naar het archief, om meer documenten te vinden die mijn stelling ondersteunen.

04 april 2009

Slechts één lettertje verschil

In mijn speurtocht naar het geslacht De Caux, afkomstig uit Frankrijk, kwam ik een inschrijving tegen in de poorterboeken van Amsterdam. In 1718 werd Jacques de Caux ingeschreven als "ingeboren poorter", wat wil zeggen dat hij te Amsterdam is geboren en dat hij via vererving aanspraak mocht maken op het poorterschap. Zijn vader, ook Jacques de Caux geheten, was in 1686 toegelaten tot het poorterschap van de Stad Amsterdam.
Uit de inschrijving van zoon Jacques haalde ik het beroep van vader, namelijk kaarsenmaker. Dat bood de gelegenheid om de gildeboeken van Amsterdam eens lekker door te vlooien, op zoek naar nadere informatie. Maar, welk boek ik ook uit de kast trok (lees: aanvroeg via de computer om het later in de studiezaal originelen door te bladeren) geen enkele vermelding van een De Caux als kaarsenmaker. Alsof de goede man niet bestond.
Bedacht op verschrijvingen had ik ook alle naamsvarianten meegenomen, zoals De Ceaux, Decau, De Coo, De Cau en De Koo. Helaas, he-le-maal niets. Tja, en daar zit je dan. Hoe zou dit nou kunnen? Toch maar de inschrijving in het poorterboek bekijken en ja hoor, daar zag ik het:



Eén klein lettertje verschil en de "cirier" werd plotseling een "cartographe". Ik heb weer een nieuwe uitdaging om verder te zoeken. O ja, de mooie gravure van de kaarsenmaker is afkomstig van de sectie "oude beroepen" van Geneaknowhow.net, die is te vinden op:

www.geneaknowhow.net/in/beroepen/luyken/kaarsenmaker

09 januari 2009

Een huis vinden in Ooster-Blokker

Mijn voorvader Jan Pietersz Gool overleed in 1811 in Oosterblokker. Volgens de overlijdensakte gebeurde dat in het huis van landbouwer Jan Mijsen, die woonde in huis nummer 28.


Dat is natuurlijk mooi, maar waar stond dat huis dan? Uit die tijd zijn er geen plattegronden van het dorp met daarop de huisnummers. Een volgend stapje naar het oplossen van de puzzel kon worden gezet door een protocol van de Vrederechter te Hoorn, opgemaakt in 1811 en te zien in het Noord-Hollands Archief in Haarlem.
Daar stond meer informatie over het overlijden, namelijk dat huis N° 28 zich aan de zuidzijde van de weg bevond en dat het lijk werd aangetroffen in een kamer in het middenhuis. Die kamer had een raam dat ten westen uitkeek op de weg.


Met andere woorden: het huis moest ten zuidoosten van de weg hebben gestaan. Nadere bestudering van de kaart van Ooster-Blokker maakt duidelijk dat zo’n positie van een huis ten opzichte van de weg inderdaad mogelijk is. De meeste huizen liggen ten zuiden van de grote weg (die naar Enkhuizen loopt) en de kerk staat ten noorden van de weg. So far, so good, maar nu moest er toch echt nog een snippertje informatie bij om het juiste huis te kunnen identificeren.
Dat snippertje werd gevonden in de vorm van de Originele Aanwijzende Tafel (OAT), een lijst met perceelnummers en eigenaren, opgemaakt door het Kadaster. Die lijsten zijn te vinden op de website watwaswaar en daaruit blijkt dat Jan Mijsen bij het opstellen van de lijst reeds is overleden. Zijn weduwe heeft het land en het huis nog wel in eigendom, zij is inmiddels verhuisd naar Wester-Blokker. Het huis waar het om gaat heeft kadastraal nummer 94. En met dat gegeven is de exacte locatie op te sporen op de kadasterkaart van het dorp. Het gaat om sectie B, blad nummer 2:


De rasterlijnen op de kaart lopen noord/zuid en oost/west, het huis blijkt dus inderdaad ten zuidoosten van de weg te hebben gelegen. Het huis van toen is in de loop der tijd vervangen door een ander huis, ik moet nog uitzoeken wanneer dat precies is gebeurd.
Maar, deze puzzel is tenminste opgelost.

20 december 2008

Afkortingen en getallen

Op de persoonskaarten die ik in de diverse archieven heb opgevraagd staan allerhande afkortingen en cijfers. Niet zo verwonderlijk, want de ruimte op de kaart is beperkt en wanneer er steeds voluit werd geschreven zou een kaart snel vol raken. Vandaar ook, dat namen van grote plaatsen vaak werden afgekort. GV is 's-Gravenhage en ASD is Amsterdam, om er maar twee te noemen.
Een andere afkorting is PB, gevolgd door een nummer van 5 cijfers. Dat was het PersoonsBewijs, door de bezetter steevast aangeduid met Ausweis. Het nummer op de kaart en het nummer op het PB dienden gelijk te zijn.
In een hoekje op de archiefkaart van mijn moeder zie ik het volgende:



Waarbij de letters staan voor Distributie StamKaart (DSK), serie B, nummer 89452. Gauw even kijken of dat klopt, want ik heb de betreffende kaart in mijn archief zitten. En ja hoor:



Deze kaart moest je hebben, wilde je distributiebonnen kunnen halen. Het systeem van die bonnen werd al bedacht in 1939 toen Nederland nog niet in oorlog was. De regering zag wel aankomen dat bepaalde goederen schaars zouden worden en een bonnensysteem zou zorgen voor een eerlijke verdeling van het weinige goed. Een product mocht pas worden gekocht na inlevering van een bonnetje. Die bonnetjes werden alleen verstrekt op vertoon van een stamkaart. Elke keer dat een bonnenboekje werd uitgegeven, zette de ambtenaar een markering op de kaart.



De kaart ziet er wat grauw uit, net alsof deze op gerecycleerd papier is gedrukt. Bij nadere beschouwing blijkt, dat de grauwsluier in feite een microdruk is, in golfjes staat het woordje "distributie" gedrukt. Een methode om vervalsing van de kaarten tegen te gaan. Dit vervalsen werd wel gedaan, maar door de microbedrukking werd het allemaal wat moeilijker gemaakt.
Van de kaart is een hoek afgeknipt, om aan te geven dat hij verlopen was. Die knip is gemaakt in de oorlog, toen de tweede serie Distributie StamKaarten werd uitgegeven. Die kaarten waren bedacht door de bezetter, om het de onderduikers zo moeilijk mogelijk te maken. Zonder kaart geen bonnen en zonder bonnen geen voedsel, als dat er al was... Het verzet besloot toen om hele series valse bonnen te gaan drukken.

15 december 2008

Een theorie valt in het Water

Mijn voorvader Willem Wit werd in 1815 geboren in Amsterdam, op het adres Water N° 90, waar zijn moeder tijdelijk logeerde. Als extra toevoeging stond er: nabij de Kapelsteeg. Het leek zo goed verklaarbaar: met Water werd ongetwijfeld het Rokin bedoeld, en Kapelsteeg was ofwel de Enge, of de Wijde Kapelsteeg. Beide straatjes lopen tussen de Kalverstraat en het Rokin. In die Kalverstraat was bovendien de arts gevestigd die bij de aangifte van de geboorte aanwezig was.
Om het helemaal compleet te maken: Rokin 90 is tegewoordig op de hoek van de Wijde Kapelsteeg. Er zit een opticien in dat pand, met als bijzonderheid een beeldje op de dakrand. Bijna niemand kijkt naar het beeldje, maar als je dat wel doet, dan merk je dat er direct teruggekeken wordt, en hoe! Probeer maar eens.

En waarom valt deze theorie nu in het Water? Er begon iets te knagen door de toch wel erg toevallige overeenkomst van de huisnummers. Dat komt bijna niet voor, dus waarom zou het nu dan zo zijn? Een zoektochtje door de omnummeringsgidsen van Amsterdam bracht al gauw aan het licht dat nummer 90 van het Rokin voor 1853 aan de andere kant van het water lag. En dus helemaal niet in de buurt van de Kapelsteeg. Nee, maar wel in de buurt van de Nadorststeeg. Sorry, die heet nu eenmaal zo, en dat straatje loopt tussen het Rokin en de Nes.
Zou met Water dan toch wat anders zijn bedoeld, bijvoorbeeld het verlengde van het Rokin, zijnde het Damrak? Even kijken en ja hoor, Damrak nummer 90 in 1815 lag in de buurt van de Kapelsteeg. Hebbes! Dat straatje is trouwens in 1913 herdoopt in de Haringpakkerssteeg, tot groot ongenoegen van de winkeliers. De Encyclopedie van Amsterdam zegt daar het volgende over:



Goed, de omnummeringsgidsen dus. Te beginnen met het boek uit 1853, dat zorgt voor een vertaling van het “Klein nummer” (dat eigenlijk alleen in verpondingsregisters werd gebruikt maar af en toe ook op de gevel werd geschilderd) naar een huisnummer. In mijn geval stond er:

Water 90 werd Damrak 143

Vervolgens komt de vernummering van 1875 aan bod, ook daar is weer een boekje van gemaakt. En daar lees ik:

Damrak 143, nummer vervallen, is nu Damrak 16

Derde en laatste vernummering, van 1901, levert het kadasternummer van het pand op. In mijn geval:

Damrak 16 = kadastraal 3904

Gauw de kadastrale kaart erbij gezocht, en daar zien we meteen welk huis het is, het derde vanaf de hoek van de steeg.



Toen de kadastrale kaart werd getekend, heette die steeg nog gewoon Kapelsteeg. Vanaf die kadastrale kaart is ook mooi te zien dat het hoekhuis weliswaar een smalle gevel aan het Damrak heeft, maar toch aanzienlijk doorloopt in de steeg.

Op de site van het Stadsarchief Amsterdam staat een afbeelding van de situatie in 1906, dus voor het hernoemen van de Kapelsteeg. Deze afbeelding kan worden gezocht door als zoekcriterium Damrak 16 in te voeren. Zie voor een afbeelding op groot formaat de Beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam.

07 december 2008

Broederdienst

Niet iedereen hoefde in de vorige eeuw het leger in. In een gezin met een aantal zonen, werden alleen de oudste twee opgeroepen voor de dienstplicht. In de 19e eeuw was er een iets ingewikkelder regel. Zo staat het in de Wet op de Nationale Militie van 1861:

48. Vrijstelling van de dienst bij de militie wordt insgelijks aan een loteling verleend, wanneer zijn wettige broeder of halve broeder in een lageren rang dan dien van officier dient of gediend heeft, hetzij bij de militie, hetzij als vrijwilliger bij de zeemagt, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in 's rijks overzeesche bezittingen.

49. De vrijstelling wordt zoo verleend, dat van een even getal broeders de helft en van een oneven de kleinere helft diene.


Dit citaat is overigens afkomstig van de website van Hein Vera. Had een echtpaar drie zoons, dan hoefde er maar één het leger in, bij vier zoons werd dat aantal twee. Bij vijf zoons bleef het twee en een gezin met zes jongens zag er drie naar de Nationale Militie gaan.
Mijn overgrootvader Dirk was er een uit een gezin van vijf jongens en omdat hij de op één na oudste was moest hij er samen met zijn broer teunis aan geloven. Maar de twee hadden daar een oplossing voor: ze lieten een ander in hun plaats gaan, wat een bedrag van ongeveer 400 gulden kostte. Ik heb het grootste deel van deze historie weten op te duikelen door spit- en graafwerk in een hoop archieven. En nu kom ik er achter dat dat eigenlijk niet nodig was. Te Zaandam, waar de familie woonde, hield men namelijk een alfabetisch register Vrijstelling Broederdienst Nationale Militie bij. Een prachtig boekwerkje met alle gegevens die je voor genealogisch onderzoek maar zou willen hebben. Inclusief de namen van de nummerverwisselaars en de regimenten waar ze gediend hebben. Hieronder het fragment dat betrekking heeft op de broers Keijzer:



Het hele boek is op de foto gezet en zal binnenkort verschijnen op de website van het project Van Papier naar Digitaal.

30 november 2008

De geboorte van een wapen (2)

Ik heb antwoord gekregen op mijn vraag over de knijpzegels die ik vond in het archief van Amsterdam. De conservator van het Belasting- en Douanemuseum in Rotterdam, mevrouw Anne-Marieke van Schaik, heeft de vraag doorgespeeld naar een van de vrijwillige medewerkers van het museum. Zij mailde:

Onze medewerker B. van Teijlingen heeft het volgende voor u uitgezocht.

Het zegelrecht werd ingevoerd in 1624 om inkomsten en vermogens te belasten. Het groot zegelrecht werd alleen gebruikt op stukken van uitzonderlijk belang. Het klein zegel werd overal voor gebruikt (akten, overeenkomsten, et cetera). Generaliteitslanden zijn gebieden die gedurende de 80-jarige oorlog waren veroverd door de provinciale bondgenoten. De Generaliteitslanden waren: Staatsbrabant, Staats-Vlaanderen, de Staatslanden van Overmaaze en Staats-Oppergelderland.

Uw afbeeldingen (zie mijn post van 1 november):
links het klein zegel der Generaliteit, voor het eerst gebruikt in 1762. De waarde varieerde van 3 stuivers tot 700 gulden.
rechts het klein zegel der Bataafse Republiek (1795 - 1806). Laagste waarde 2 stuivers, hoogste waarde 500 gulden.
Dit lijkt u misschien veel, maar vanuit Groot-Brittannië zijn zegels bekend met een waarde van 1000 pond. Hierbij gaat het meestal om transacties tussen banken. Het pond vertegenwoordigde in de 17de, 18de en 19de eeuw een veel grotere waarde dan nu, zodat dit zegel relatief een nog hogere waarde heeft.


Een akte die 1000 pond moest kosten, dat is nogal wat. Voor meer informatie over het museum is hier de link naar de website.

16 november 2008

Springplank naar informatie (2)

Op basis van de vele reacties in de nieuwsgroep heb ik de ontwerpjes iets aangepast, met meer kleurstellingen.

Update: Ik had de bestandjes op het blog gezet als bmp-bestanden, omdat er dan geen vervormingen optreden. Helaas, het blijkt dat het formaat intern wordt vertaald naar jpg-bestanden, zodat er weer wèl vertekeningen ontstaan. Om dat te voorkomen heb ik ze nu als gif-bestandjes neergezet. Eventueel kan ik ook een png-versie maken.

Een aantal presenteer ik hier. Ze zijn zonder tekst, je kunt een eigen lettertype aanbrengen als je dat wilt:












En dan nog de button, die is wat moeilijker. De naam van de nieuwsgroep is wat te breed voor zo'n kleine button. Knip je de tekst in drie stukken, dan is de eerste regel een beetje kaal. Maar ik heb er toch eentje gemaakt, met het lettertype Verdana, dat ook door Windows wordt gebruikt. Dit is een letter die speciaal is gemaakt voor kleine tekstjes.



Springplank naar informatie

Genealogische kennis kan op veel plaatsen worden gehaald, maar vaak is dat onbekend. Neem bijvoorbeeld de nieuwsgroep soc.genealogy.benelux, een onderdeel van Usenet. Dat netwerk is ooit opgezet om informatie tussen wetenschappers uit te wisselen. Puur gebaseerd op tekst en zo functioneel mogelijk. Functioneel en dus niet "sexy" zoals zoveel andere discussieplatforms.
Het gevolg? De aandacht voor de nieuwsgroep is een beetje tanende. Om daar wat aan te doen is het plan ontstaan om op diverse plekken reclame te maken voor de nieuwsgroep. Bijvoorbeeld door een aanklikbare link op je website of weblog te zetten. Een muisklik daarop is voldoende om de lezer direct naar de Google Groups uitvoering van soc.genealogy benelux te leiden.
Ik heb een paar van die plaatjes gemaakt, en beveel ze hier in uw gewaardeerde aandacht aan.





Dit zijn zogeheten banners (zeg maar wimpeltjes, die boven of onderaan een webpagina kunnen worden neergezet). Niet iedereen is even gescharmeerd van die grote lappen, dus is er ook een wat kleinere variant gemaakt, die meer wegheeft van een button:



Ik heb voor het ontwerp een neutrale kleurstelling gekozen, hopende dat die een beetje past op het merendeel van de webpagina's. Is dat nou niet zo, vertel me dan welke kleuren wel goed zijn en dan zal ik zien of ik daar snel iets mee kan doen.

Wie geen plaatjes wil gebruiken, kan ook met een wervende tekst proberen om mensen naar de nieuwsgroep te krijgen. Die tekst is dan een hyperlink, een aanklikbaar element met daarachter het webadres van de nieuwsgroep. Dit adres luidt:

http://groups.google.com/group/soc.genealogy.benelux/topics?lnk=li

En hier is dan de wervende tekst waar ik het net over had, gecombineerd met het adres van de groep. Klik er maar eens op en zie wat er gebeurt.

01 november 2008

De geboorte van een wapen



Al speurend door de notariële archieven van Amsterdam kwam ik een aantal mooie knijpzegels tegen. Vormpjes die met een tang in het papier worden geperst om aan te geven dat het hier niet zomaar om een velletje papier gaat, maar om een officieel stuk.
Twee zegels heb ik eens naast elkaar gezet. De linker is uit 1765 en die bevat de "kale" Nederlandse leeuw. Nog zonder de pijlen en zonder zwaard. In 1806 zag het wapen er al veel meer uit zoals het officiële landswapen dat in 1815 werd vastgesteld, namelijk met pijlen en zwaard. Het zijn 7 pijlen, trouwens, één voor elk van de zeven provinciën.
Het enige waar ik nog geen verklaring voor heb, is de waarde van het zegeld uit 1806. Ik kan me niet voorstellen dat het 75 gulden waard was. Heeft iemand misschien een idee? Ik hou me aanbevolen.