28 juni 2010

Hoe lang was opa eigenlijk?

Ik wilde wel eens weten hoe lang mijn diverse voorvaders geweest zijn. In sommige gevallen is dat helemaal geen probleem, je kijkt gewoon in de militieregisters en je ziet hoe lang ze zijn. Tot op de streep (= millimeter) nauwkeurig, meestal ook nog met de toevoeging dat ze “op kousevoeten” zijn gemeten.
Maar wat te doen als de betreffende voorvader niet in dienst is geweest? Dan moeten andere trucs uitkomst bieden. Mijn grootvader Willem Keijzer (geboren 1878) is uitgeloot, omdat hij een nummer had getrokken “hetwelk hem niet tot de dienst verplichtte”. Zijn vader Dirk Keijzer (geboren 1838) was ook buiten de militie gebleven, doordat hij voor 400 gulden een plaatsvervanger had geregeld. Bij de huwelijks bijlagen zit dus wel een papier dat aan de verplichtingen Nationale Militie is voldaan (via een remplaçant) maar zonder zijn signalement.


Gelukkig biedt de fotografie uitkomst. Eerst maar eens de lengte van opa. Die kon ik berekenen uit een gezinsfoto die ergens rond 1930 is gemaakt. Mijn vader, die 1,92 m lang was, staat helemaal achteraan en door opmeten vanuit de foto (pixels tellen) en even rekenen kom ik voor opa op een lengte van 1,81 m. Met een zekere onnauwkeurigheid, het kan een centimeter meer of minder zijn geweest.


Aan het begin van de vorige eeuw is opa op de foto gezet, wandelend met zijn vader door Nijmegen. Ik heb het geluk dat mijn oudoom Cor (de broer van opa dus) fotograaf was en een bovengemiddeld aantal foto’s van de familie heeft gemaakt.
Ook hier weer even meten en rekenen en dan is de uitkomst dat overopa Dirk ongeveer 1,95 m lang is geweest. Ook hier weer met een onnauwkeurigheid, vanwege de hoeden. Ik moest gokken waar de bovenkanten van de hoofden zaten. Maar het verklaart wel waarom ik 1.98 m lang ben, kwestie van erfelijkheid.

19 juni 2010

De Sont Tolregisters komen er aan

We moeten nog even geduld hebben, maar de Sont Tolregisters komen er aan. Het is de weerslag van een paar honderd jaar tolheffen door de Deense vorstenhuizen. Iedere kapitein die met zijn schip de Sont wilde passeren diende inspecteurs toe te laten op het schip. Zij maakten een vrachtlijst, met meteen een aantal bedragen die als tol betaald dienden te worden. Als het allemaal in een database zit, is het een ideale bron voor allerlei onderzoek. Wetenschappelijke research bijvoorbeeld, maar ook onderzoek naar voorvaders. Eind volgend jaar moet de database klaar zijn. Tot het zover is hoeven we niet stil te zitten, want gegevens over de passage van de Sont zijn ook elders te zien.
Bijvoorbeeld bij de Koninklijke Bibliotheek (KB), die kranten als de Opregte Haerlemsche Courant op microfilm heeft staan. Uit de jaargang van 1688 haalde ik het volgende bericht:


Deze gegevens zijn per boot overgebracht van Elseneur (bij de Sont) naar Nederland, waar het een plekje kreeg in de diverse kranten. Bij de KB zijn ze druk bezig met het digitaliseren van dit soort oude kranten. Deze oude jaargangen zitten daar nog niet tussen. Het vereist een bezoek aan de Microzaal in het gebouw in Den Haag.
Op Internet zijn wel andere kranten te vinden, zoals de Leydsche Courant vanaf 1720. Die kranten zijn gescand in opdracht van het Gemeentearchief Leiden en op internet gezet. Kijk daarvoor op adres: http://leiden.courant.nu/
Daar hoeft niet gebladerd te worden maar kun je gewoon zoeken naar een bepaalde tekst, bijvoorbeeld de plaatsnaam Elseneur. En dan verschijnt het volgende stukje op het scherm, uit 1728:


Wees er wel op bedacht, dat de OCR bij dergelijke oude kranten niet altijd even goed werkt. De letters zitten vaak aan elkaar, ze zijn dichtgelopen, er zit vuil op of de vorm van de letters is 'vreemd'. Bijvoorbeeld de lange s die heel vaak als f wordt gelezen.
In Denemarken zelf hebben de kranten de doorvaarten door de Sont ook gemeld, alleen zijn er geen al te oude jaargangen bewaard gebleven. Van Lars Bjørn Madsen, inspecteur en archivaris van het Helsingør Kommunes Museer, kreeg ik een scan toegemaild van een gedrukte lijst uit 1836, met schepen die de passage door de Sont hebben gemaakt.

16 juni 2010

Workshop Sont Tolregisters - Groningen


Even voorstellen: een groot deel van het team achter de digitalisering van de Sont Tolregisters. Verbazend hoeveel werk er inmiddels is verzet achter de schermen. Er is een omvangrijk databasemodel gebouwd, om alle inschrijvingen uit de Tolboeken goed te kunnen herbergen. Wat dacht je van het voorkomen van wel 12 verschillende soorten valuta? Dus niet alleen de Deense dalers en skillinge, maar ook allerlei guldens, ryxdaalders en wat dies meer zij.
De groep kwam bijeen in Groningen, om te praten over de voortgang van het project en de onderzoeken die met de database uitgevoerd kunnen worden. Zo wil prof. dr. Lex Heerma van Voss de data gebruiken om de economische opkomst en neergang van steden aan te tonen. Zelfs vanuit Japan is er belangstelling voor de historische gegevens, die gebruikt worden om de status van Hamburg en Kiel/Lübeck tegen elkaar af te zetten. En om uitspraken te doen over de gevolgde handelsroutes (ofwel over land, of over zee rondom Denemarken).
In Frankrijk en Portugal zullen de doorvaarten door de Sont een nieuw licht laten schijnen op de handelscontacten tussen het zuiden van Europa en de landen rond de Oostzee. Voor Portugal spelen dan ook de handelsroutes met de toenmalige koloniën een rol.
Inmiddels zijn zo'n 300.000 scheepspassages in de database opgenomen en komer er elke weer 17.000 bij. In totaal moeten ruim 1,8 miljoen inschrijvingen worden gedigitaliseerd, een klus die naar verwachting eind 2011 klaar is.

29 mei 2010

Spitten in de dagrapporten politie Amsterdam

De bewaard gebleven dagrapporten van de Amsterdamse politie zijn een ware goudmijn. Je vindt er van alles, van iemand die aangifte komt doen van belediging (probeer dat tegenwoordig maar niet meer) tot patrouilles die in een pand dat duidelijk sporen van braak vertoont, plotseling worden geconfronteerd met een lijk.
De lokale media kwamen geregeld bij de bureaus langs, om informatie te vergaren voor de dagelijkse portie politienieuws in de hoofdstad. Bijvoorbeeld: wat was dat voor aanrijding, waren er gewonden, hoe groot was de materiële schade enzovoort, enzovoort. De politie was doorgaans welwillend, de journalisten kregen voldoende informatie om hun kolommen te vullen. Maar soms ook niet, dan ging het om een zaak die buiten de pers diende te blijven. Zoals blijkt uit:


Met hoofdletters staat er onder, dat de pers er niets mee mag doen. Dit is trouwens nog een bescheiden aantekening, want het staat er ook wel met dikke rode potloodletters.
Op 14 januari 1943 wordt de betreffende persoon (waarvan ik de gegevens onherkenbaar heb gemaakt) ontboden op bureau Singel in de hoofdstad. Hij wordt daar ondervraagd en gefouilleerd en naar de mening van de commissaris is er reden om hem vast te houden.
Opvallend is het bedrag dat in de portemonnee wordt gevonden, 6 gulden, 56 en een halve cent. Dat bedrag kan op een aantal manieren worden bereikt, bijvoorbeeld door een 2,5 centsstuk, of nog door een oude bronzen halve cent. In de oorlog werden zinken munten gebruikt, alleen de halve cent hoefde niet te worden ingeleverd. Op de foto de kleinste muntjes uit de oorlog:


De verdachte gaat de cel in en pas twee dagen later wordt hij overgebracht naar het Hoofdbureau van Politie. Voor, zoals dat heet, "Dactyloscopie enzovoort". Met andere woorden: zijn vingerafdrukken worden genomen, hij gaat op de foto (van voren, van opzij en schuin van voren) en hij wordt voorgeleid bij de Officier van Justitie.
Mijn belang bij deze hele serie gebeurtenissen? Dat is slechts zijdelings, ik werd getriggerd door de volgende vermelding:


Waar ik lees dat mijn vader de verdachte naar het H.B. heeft gebracht. Dat zal lopend zijn gebeurd, middenin de oorlog werd voor zoiets eenvoudigs geen auto met bijbehorende brandstof ter beschikking gesteld. En afhankelijk van het gedrag van verdachte X zal hij al dan niet geboeid over straat zijn geleid.

21 mei 2010

Willem Lijding (1722 - 1826)

In de nieuwsgroep soc.genealogy.benelux stond een bericht van Erica over iemand die 104 jaar was geworden. Zij heeft een scan gemaakt uit de Dordrechtsche Courant van 7 november 1826 en die geplaatst op www.online-familieberichten.nl. Voor het gemak heb ik die scan hier even gekopieerd.


Tegenwoordig is een leeftijd van 104 jaar niet zo bijzonder, maar bijna twee eeuwen geleden was het wereldnieuws. Ik was toch in het archief vandaag dus heb ik even de betreffende akte geraadpleegd. Hoe bijzonder de hoge leeftijd gevonden werd, blijkt al uit de inschrijving in de 1-Jaartafel van Amsterdam voor het jaar 1826. De leeftijd van de overledene werd expliciet in de tabellen vermeld. Voor zover ik kon nagaan gebeurde dat in dat jaar bij niemand anders.


En toen kwam de akte zelf in beeld, met de mededeling dat de overledene 104 jaar en 7 maanden was geworden, een gegeven dat toen ook in de krant werd vermeld.


Het controleren van de geboortedatum is zeer moeilijk, zo niet onmogelijk, omdat het om Berlijn gaat. Je moet dan maar net het juiste doopboek kunnen achterhalen. Wellicht dat dat via een Duitse vereniging nog lukt. Maar deze meneer is geen familie van mij, ik zal het niet gaan uitzoeken. Ik vond het feit op zich wel zo leuk, dat ik er een bericht van heb gemaakt.

18 mei 2010

Dagrapporten Amsterdamse politie (2)

Het raadplegen van de dagrapporten van de Amsterdamse politie vereist wat handigheid. Zo op het eerste gezicht lijkt een zoektocht heel veel resultaten op te leveren:


Met per naam een aantal scans, dus dat belooft veel. Maar... pas op, de kans is groot dat maar één van de scans de gezochte naam bevat.
Hoe komt dat? De scans zijn gegroepeerd op datum. Wanneer op een bepaalde datum een naam in beeld komt, wordt de hele groep aan die naam gekoppeld. Gaat het om een klein bureau in een rustige tijd, dan bestaat het dagrapport misschien maar uit 1 of 2 pagina's. Bij grotere bureaus kan een dag wel 8 pagina's of meer omvatten.
In zo'n geval kan het downloaden van de scans een dure grap worden. Bijvoorbeeld: je haalt er eentje binnen, waar de naam al op staat. Degene die van de hoed en de rand weet, stopt op dat moment acuut. Wie het niet weet, gaat ook de resterende pagina's opvragen, met een resultaat van nul-komma-nul. Natuurlijk kan het zijn dat één iemand twee keer op dezelfde dag het bureau binnenkomt. Ja, dan staat hij of zij twee keer in het rapport, maar dat gebeurt maar heel zelden.

Het is maar een weetje.

16 mei 2010

Dagrapporten Amsterdamse politie

Het Stadsarchief Amsterdam heeft een megaklus geklaard, door de dagrapporten van de politie Amsterdam uit de oorlogsjaren te digitaliseren. Dat is smullen voor degene die familie in de hoofdstad had. De dagrapporten, met meldingen van alles wat er zoal op een poltiebureau gebeurt, bevatten een schat aan informatie.
Zo kun je lezen dat een voorvader heeft geprobeerd op de tram te springen, daarbij is uitgegleden en zijn enkel heeft gebroken. Of een familielid krijgt te maken met diefstal, zoals in het geval van mijn oudoom Cor:


Een minuscuul berichtje, maar het vertelt me wèl waar oudoom en oudtante toen woonden. Dit berichtje kan ik hier overigens integraal plaatsen, bij andere knipsels moet ik omzichtiger te werk gaan omdat de kans bestaat dat de mensen die worden genoemd nog in leven zijn. Ik kan me zo voorstellen dat iemand van 87 jaar niet zo graag leest dat hij ooit is gearresteerd voor diefstal van een damesmantel. In zo'n geval gaat de digitale stift over de namen heen en blijven alleen de personalia staan van mensen waarvan zeker is dat ze zijn overleden.
Dit is ook de aanpak die het Stadsarchief volgt, en dat kan soms lastig zijn als er in de rapporten zelf geen leeftijd wordt genoemd. Namen zonder datum worden namelijk standaard afgeschermd op de website van het archief. Kun je aantonen dat betrokkene is overleden, of betrokkene lijfelijk komt vertellen geen bezwaar te hebben tegen publicatie dan wordt de blokkering opgeheven.

24 april 2010

Gigantische aantallen

Ik verbaas mij af en toe over de claims die op internet worden gedaan over genealogie en beschikbare hoeveelheden gegevens. Mensen rollebollen over elkaar heen om maar de grootste aantallen te hebben. Het motto lijkt wel "Alleen de groten tellen mee." Neem bijvoorbeeld de site supersurnamesearch, die het volgende laat zien:


De miljarden (billions in het Amerikaans) vliegen je om de oren. Heel veel, dus zal het ook wel heel goed zijn. Eenzelfde insteek zie ik bij de HCC:


Daar gaat het over ancestry, dat 5 miljard namen heeft. Een andere site, met "maar" 250 miljoen namen wordt gepresenteerd als voorbeeld van schaarste...
De site van myheritage laat het volgende weten:


De gebruiker kan zijn voordeel doen met 530 miljoen genealogische profielen. Met de kans, dat in één profiel meer namen zitten. Geneanet doet het iets bescheidener, door melding te maken van:


Hier wordt weer een andere aanpak gevolg: het aantal personen in de database wordt tot op de persoon nauwkeurig aangegeven. En dat lijkt voor veel mensen een stuk betrouwbaarder dan een algemene bewering zoals "ruim 350 miljoen". De Latter Day Saints komen niet verder dan 150 miljoen, maar zij leggen de nadruk op het feit dat hun databases gratis toegankelijk zijn:


Inderdaad moet je bij sommige sites betalen voor gegevens en dan is een gratis optie voor veel mensen toch aantrekkelijker. Genlias (ook gratis) heeft bijna 55 miljoen namen, die voorkomen in ongeveer 13,5 miljoen akten:


En dan kan het natuurlijk ook nog gebeuren dat er grote aantallen ontstaan door een simpele vertaalfout. Bijvoorbeeld:


Want wat staat er in de originele tekst? Dat Google aan de slag gaat met het digitaliseren van 35.000 boeken en geen 35 miljoen.
Tot nu toe gaat het alleen om de kwantiteit, maar hoe zit het dan met de kwaliteit? Op internet staan heel veel gegevens en de algemene indruk van de meeste gebruikers is dat al die informatie "waar" is. Maar dat hoeft helemaal niet. Er zijn voorbeelden te over van stambomen die kant noch wal raken, maar omdat ze op het net staan, worden ze zonder meer geloofd en ook overgenomen. Dit rondzing-effect zorgt voor veel vervuiling, want het gebeurt niet een enkel keertje maar heel vaak.

Moraal van het verhaal: grote aantallen zeggen niet veel. Een bewering als "het aantal klinkers in de dorpsstraat van Purmerend in 1831 was groter dan het aantal goudstaven in Fort Knox in 1891" kan waar zijn, maar de betekenis is nul-komma-nul.
Moraal-2: Neem nooit voetstoots aan dat informatie op internet (of in boeken of tijdschriften) klopt, maar doe eigen onderzoek dat het bewijs oplevert.

27 maart 2010

Samen staan we sterk in bange tijden

Van 1700 tot 1721 woedde de 3e Noordse Oorlog in het Oostzeegebied. Een aantal partijen vloog elkaar in de haren om de zeggenschap over het gebied rond de Oostzee. Zweden was daar oppermachtig en dat zinde de andere landen niet. Kortom, er werd strijd geleverd en niet zo’n beetje ook.


In de tussentijd bleef de handel op de Oostzeehavens wel aantrekkelijk. Vooral de Nederlanders hadden een lange traditie op dit gebied. In Oostzeehavens werd goed betaald voor producten uit West-Europa en de koloniën. Wie de Sont Tolregisters doorspit, komt daar heel vaak specerijen zoals kaneel tegen. Op de terugweg namen de handelskapiteins goederen mee zoals masten, scheepstimmerhout, duigen en hennep.
De handel moest dus doorgaan, maar het was niet echt verantwoord om als schip alleen die richting op te gaan. Het antwoord werd gevonden in de konvooivaart: met bijna tachtig schepen tegelijk vertrekken vanaf de rede van Texel, onder bescherming van een aantal zwaar bewapende schepen. De koopvaardij was zelf ook vaak bewapend, met voldoende kanonnen om kapers en wat dies meer zij naar de zeebodem te jagen als dat nodig mocht zijn.


Een impressie van zo'n konvooi is geschilderd door Ted Walker, zie hierboven. Image used with permission. Nadere informatie over dit schilderij en andere zeetaferelen kan worden bekeken op: www.edwalkermarine.com waar ook kunstdrukken besteld kunnen worden, door een e-mail te sturen.

Gelukkig zijn van de konvooivaart enkele papieren bewaard gebleven. Ze worden bewaard in het Stadsarchief van Amsterdam, in het archief van de Directie van de Oostersche Handel en Reederijen. Dit archief is te vinden onder toegangsnummer 78.
Hieronder staat een fragment van de lijst, waaruit blijkt dat de hele groep op 5 september 1712 het ruime sop heeft gekozen vanaf de rede van Texel.


Het mooie van deze lijst (en nog enkele andere uit hetzelfde archief) is, dat niet alleen de naam van de kapiteins wordt gegeven, maar ook de naam van het schip waarover zij het commando voerden. De bestemmingshaven is vermeld, evenals het aantal bemanningsleden en het aantal stukken geschut. De Juffr. Sara, gevoerd door kapitein Jarig Albertze had 8 bemanningsleden en geen kanonnen. Het schip de Constapel (oud woord voor ordehandhaver) van Coert Jacobsze Kroese had 14 mensen aan boord en maar liefst 8 kanonnen. Dit was daarmee het zwaarst bewapende handelsschip van het hele convooi.

19 maart 2010

Feest bij Van Papier naar Digitaal!

Vandaag was het feest bij Van Papier naar Digitaal (VPND), het project kreeg een bedrag van 10.000 dollar overhandigd door de firma EMC. Het bedrag wordt gegeven aan projecten die het behoud van het werelderfgoed hoog in het vaandel hebben staan.


Ondanks het plaatje hierboven, dat is ontsproten aan mijn creatieve brein, bestaan biljetten van 10.000 dollar niet. Maar cheques van dat bedrag bestaan wel degelijk, getuige onderstaande foto, die is genomen op het kantoor van EMC in Nieuwegein.



Hans den Braber en Herman de Wit van Van Papier naar Digitaal ontvingen de cheque ter waarde van $10.000 uit de handen van Frans Rahms (geheel rechts op de foto), Regional Manager Europe North bij EMC.

# Update 1
En een dag later, tijdens de vergadering over VPND, kreeg onze secretaris Hein de officiële oorkonde in handen, met het verzoek er een veilig plekje voor te zoeken (dan wel er een teakhouten kast voor te timmeren).

06 maart 2010

Terug in de tijd naar Vlieland - 2

Nadat de kerk en het naastliggende huisje redelijk gelukt waren, ben ik aan de rest van de bebouwing begonnen. Dat was een kwestie van passen en meten, op basis van het perspectiefloze plaatje uit 1594. Ik heb maar een recht stratenplan gekozen, net zoals nu nog in Oost-Vlieland. In het model ziet dat er als volgt uit:


Het is nog een beetje kaal, zo, maar via Sketchup is het heel eenvoudig om daar wat aan te doen. Gewoon vanuit een van de menu's de optie schaduw (shadow) kiezen en het beeld van West-Vlieland begint al een beetje meer leven te krijgen:


De volgende stap is het maken van de duinen, weilanden en dergelijke. Ook moeten de huizen nog worden beplakt met bakstenen en stucwerk. Wat dat betreft moet ik mijn fantasie een beetje de vrije loop laten, in de hoop dat de historie geen geweld wordt aangedaan. Er bestaan geen foto's uit 1594 en ik moet dus werken met de resten van oude bebouwing die nu nog op de Waddeneilanden te vinden zijn.
Vissershuisjes in Jutland geven wel een idee en de kerk van Hoorn op Terschelling is ook een mooi voorbeeld.
Een paar kleurtjes doen wonderen, want als ik de lucht blauw maak en er wat wolkjes in teken, plus de straat een zandkleur geef (volgens oude beschrijvingen waren de straten niet geplaveid, zoals blijkt uit het Rekeningboek van de Burgemeesters waar steeds weer posten voor het dichtgooien van kuilen te lezen zijn) dan wordt het beeld als volgt:


Er staat op internet een mooie illustratie van de oude toestand van Vlieland, getekend op een moderne kaart:


Deze informatie is te vinden op de website van Natuurinformatie. Vlieland heeft het helemaal zonder bomen moeten doen gedurende lange tijd. Dat het eiland nu wel de beschikking heeft over bomen, is te danken aan de grootvader van Gijs Hesselink, lees daarvoor het artikel op het weblog van Gijs.

01 maart 2010

Terug in de tijd naar Vlieland

Een van mijn voorvaderen was Pieter Harmensz Swafelstock, schipper van Vlieland. Hij bevoer de zeeën (ondermeer op walvisvaart, naar Archangel en van Portugal naar de Oostzee) en hij woonde in West-Vlieland. Dat dorpje bestaat helaas niet meer, het werd uiteindelijk in 1737 verzwolgen door de zee. Het enige wat rest is een aantal historische kaarten. Zoals de kaart hieronder, die is getekend in 1594 en die wordt bewaard bij het Nationaal Archief in Den Haag.


De kaart is onderdeel van de zogeheten Collectie Hingman. Tekenaar van de kaart is Pieter Bruijnsz, landmeter in 's Rijks dienst. Op de overzichtsfoto is het dorp niet echt goed te herkennen. Daarvoor is een detailopname veel beter:


Wat opvalt is het beroerde perspectief van de vogelvluchtkaart. Maar kijk je daar doorheen, dan zijn toch veel details waar te nemen. Bijvoorbeeld het feit dat het dorp bestaat uit een aantal evenwijdige straten met daartussen kleine steegjes (die gloppen worden genoemd). Dit stratenpatroon is nu nog te zien in Oost-Vlieland. Ik ben nieuwsgierig van aard en ik vroeg me af of het mogelijk was om deze kaart om te zetten in een duidelijke tekening. Met behulp van de computer (vooral het programma Sketchup van Google) begint dat aardig te lukken. Hieronder een voorproefje van de kerk met naastgelegen woning, vermoedelijk van de predikant.


Deze eerste poging is nog niet goed, zo staat de zon lekker uit het noorden te schijnen en heeft de kerk nog een pannendak. Uit de literatuur blijkt, dat de kerk een leien dak had. Dat wordt nog aangepast. Uiteindelijk hoop ik een 3D-model te hebben waar je virtueel doorheen kunt wandelen zodat een beter beeld ontstaat van het eiland zoals het ruim 400 jaar geleden was.

06 november 2009

Een valse transcriptie

Op zoek naar voorfamilie in Hensbroek, Noord-Holland, kwam ik terecht bij het RANH in Haarlem. Daar staat het boek Hensbroek 8 in de kast, een verzameling kopieën van getypte transcripties van bronnen uit Hensbroek. Een van de onderwerpen die in boek 8 worden behandeld is de Diaconie. Dit hoofdstuk begint zeer hoopvol:


Even verderop staan de inschrijvingen van het begin van de 19e eeuw, de periode waar ik hoop het een en ander te vinden. De getypte versie meldt:


Het gaat dus om twee volwassenen en vier kinderen. Mijn familie Prins komt in de lijst helaas niet voor. Ik heb me een aantal maanden tevreden gesteld met dit resultaat, tot ik in het Westfries Archief in Hoorn het originele kerkboek in handen kreeg. Daar zag ik tot mijn verrassing, dat er heel wat meer informatie beschikbaar was dan de transcribent heeft uitgewerkt:


Ik ben nu bezig met het maken van een eigen transcriptie, met de delen erin die voor mijn onderzoek van belang zijn. Als dat klaar is, duik ik de papieren van de weeskamer in, waar ongetwijfeld nog meer te vinden is.

14 oktober 2009

Snuffelen in de Sont Tolregisters

Deze week zijn de scans van de Sont Tolregisters online gekomen, wat mij de gelegenheid geeft om onderzoek te doen zonder steeds naar Amsterdam te reizen. Vroeger bekeek ik de films van de registers bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG), wat toch wel een hele onderneming was. Maar nu kan het dus gewoon thuis.
Ik heb eerst mijn voorvader Pieter Velt maar eens getraceerd. Ik wist al dat hij op 13 augustus 1723 de Sont was gepasseerd, komend vanuit de Oostzee. Maar verdere details waren niet bekend. De inschrijvingen in de registers zijn gelukkig geordend naar de nationalisteit van de schippers. Voor de heenreis van Pieter Velt had ik het volgende deel nodig:

Daar staat:
Hollandske Skibe kommer fra Westersøen, ofwel
Hollandse schepen, komend van de Westzee

De Denen maakten verschil tussen de Oostzee, ten oosten van de Sont en de Westzee, uiteraard ten westen van de Sont.
Ik vond de inschrijving van Pieter gedateerd op 13 juni 1723:

De tekst luidt:
135 Pieter Velt af Amsterdam kommer fra ibid, vil til Østersöen med ballast
Fijrpenge 2 wat betekent:
135 Pieter Velt van Amsterdam, komt van idem, wil naar de Oostzee met ballast
Vuurtorengeld 2 [Riksdaler]

Pieter had zijn schip geladen met stenen, om stabiel op het water te liggen tijdens de reis. Hiervoor hoefde niet betaald te worden, hij diende alleen 2 Riksdaler te betalen voor het vuurtorengeld. Dat was een algemene belasting voor schepen. Als bestemming werd slechts de Oostzee opgegeven, wat betekende dat hij diverse havens zou aandoen, op zoek naar handel.
En die handel heeft hij gevonden in Riga, getuige de inschrijving van 13 augustus 1723:


136 Pieter Felt af Hoorn kommer fra Riga vil til Amsterd[am]
med 116 last klapsalt 2 d[ale]r 20 st
20 sstt Tamp 3 d[ale]r 16 st
Fijrpenge 4 d[ale]r

Pieter blijkt dus zaken te hebben gedaan in Riga. Hij kwam uit Venhuizen, vlakbij Hoorn en hij zeilde naar Amsterdam. Met 116 lasten zout en 20... Ja, 20 wat eigenlijk volgens een andere bron had hij masten bij zich, kaarsrechte stammen van de pijnboom. Maar dat haal ik er nog niet uit. Oud Deens is niet een van de talen die ik vloeiend beheers, helaas. Wel moet hij nu dubbel vuurtorengeld betalen omdat zijn schip een waardevolle lading aan boord heeft.

+++update+ Uit Denemarken kreeg ik hulp bij het ontcijferen en het blijkt dat er geen Tamp staat, maar Hamp. En dat is oud Deens voor hennep. De sstt is een bepaalde maat, ik gok op een baal.

Store tak, Kathrine!!

+++update 2+++ Ik kreeg een mail van D. Boone waarin staat dat het klapholt moet zijn en geen klapsalt. Dat zijn gespleten lange stukken eikenhout waar later duigen voor vaten van worden gemaakt. hij had 116 Skik. Een Skik, of Skok, is 60 stuks, dus alles bij elkaar 6960 stukken eikenhout.
En op de onderste regel staat 20 sktt, ofwel 20 scheepsponden Hamp (= hennep). Een scheepspond is 162,5 kilo. Dus aan hennep vervoerde hij 3250 kilo. Best een volgeladen schip, dus.
En de munteenheid van de bedragen is de Sk ofwel de Skilling (uit te spreken net zoals de oude Engelse Shilling).

Hartelijk dank!!

04 oktober 2009

Stiekem gedoopt in 1751

Mijn voorvader Guilielmus Rigole was militair en zoals in de 18e eeuw gebruikelijk was vergezelde het gezin hem. Het regiment was in 1751 gelegerd in Kampen, toen zijn zoon Jacobus werd geboren. De familie was Katholiek, dus diende de doop in het geheim plaats te vinden. In het doopboek van de Paterskerk van Kampen staat:


De Paterskerk was een zogeheten schuilkerk, die was verstopt in een woonhuis van een rijke familie aan de Voorstraat. De missen werden gelezen door de Paters Franciscanen, vandaar ook de naam van de kerk. De bestuur van de stad Kampen had zelfs een speciale nachtschout in dienst, die erop moest toezien dat er geen "Paapse gedragingen" voorkwamen. Ik kan me voorstellen dat die man was bewapend met een knuppel en er bij het minste geringste op los sloeg.
In de 18e eeuw verkregen de paters het gebouw in eigendom. Tegenwoordig ziet het pand er uit zoals op de volgende foto:


De linker onderkant van het gebouw ziet er misschien een beetje vreemd uit, maar dat komt doordat daar tijdens het maken van de foto een foeilelijke auto geparkeerd stond en die heb ik dus even weggepoetst met de computer.

08 augustus 2009

Op zoek naar een huis in Haarlem

Uit de papieren van het Proveniershuis in Haarlem werd duidelijk dat mijn voormoeder Catharina Maria Crebast had gewoond in huisje nummer 32.


In de lijst met huisje en hun bewoners stond vermeld dat nummer 32 aan de noordzijde van het hofje lag. Kortom, ideaal om even ter plekke te gaan kijken er een foto te maken van het huisje in kwestie. Helaas, het bleek dat de nummering in de loop van de tijd was aangepast. De huisjes in het hofje hebben tegenwoordig een nummer aan de Grote Houtstraat, bijvoorbeeld 144h. Het klassieke dilemma bij hofjes, hoe breng je ze op een nette manier onder in het adressensysteem van de gemeente. Gewoon doornummeren met volgletters is de keuze die meestal wordt gemaakt.
Helaas voor mij verdween daarmee het oude nummer. Maar, de Kennemer Atlas bleek een oude plattegrond te hebben van het Proveniershuis, met daarop alle huisnummers. Het was schitterend weer, dus ben ik maar even doorgelopen naar het archief aan de Kleine Houtweg, want daar worden de materialen van de Kennemer Atlas bewaard. Met het volgende resultaat:


Met een foto van de kaart weer terug naar het hofje en toen werd het duidelijk. Het huis met nummer 36 draagt tegenwoordig nummer 144a. Nummer 34 werd 144b, 33 werd 144c en 32 werd 144d. En dat heb ik dus maar even op de foto gezet:


Het dakkapelletje met de open ramen is van huisje 144c. Overigens fascinerend om te zien dat het hofje in 300 jaar eigenlijk niet is veranderd. Okee, de bomen zijn wel ooit opnieuw geplant en de dakpannen zijn gemoderniseerd. Ook is het steegje naast huisje 36 verdwenen, maar voor de rest lijkt het alsof de tijd heeft stilgestaan. Het kantoor, dat op de kaart vermeld staat, is tegenwoordig in gebruik bij een horecagelegenheid met de welluidende naam Juffrouw zonder zorgen. Een verwijzing naar de vroegere bewoners van het hofje, die werden voorzien van alle benodigdheden zoals spijs en drank. Ook kregen ze voldoende turf om het huisje te verwarmen en olie en kaarsen voor verlichting.

26 juli 2009

Een @ van ruim 200 jaar oud

Toen de email-adressen werden uitgevonden was men op zoek naar een teken dat heel weinig voorkwam, en dat dus mooi gebruikt kon worden om naam en adres van elkaar te scheiden. De keus viel op @, zodat het mailsysteem een bericht aan naam@adres.ext keurig naar meneer of mevrouw "naam" in domein "adres.ext" kon sturen.
Dat teken @ bestond al geruime tijd, en bij onderzoek duikt het her en der op. Zo ook op een brief, die een familielid van mij in 1796 stuurde naar de Richter (het hoofd) van de Evangelische Broederschap in Zeist. Inderdaad: Herrn Richter@Zeist, oordeel zelf:

19 juli 2009

Vondst via een lange omweg

Al ruim vier jaar ben ik op zoek geweest naar het overlijden van mijn voormoeder Catharina Maria Crebast. Zij is geboren in 1722 in Groningen en werd in 1744 in Zaandam ingeschreven als lidmaat van de Evangelisch Lutherse kerk. Daar kreeg zij kennis aan Dirk Simonsz en er werd getrouwd op 8 augustus 1751. Het echtpaar kreeg twee kinderen, Hendrik (1758) en Maria Geertruijda (1760).
Vader Dirk voer op Suriname met het fregat de Johanna Baldina. Dit schip sloeg in 1768 te pletter op de kust van Frans Guyana. In een vliegende storm werd het fregat op het rotseilandje Le Connetable geworpen. Slechts drie opvarenden overleefden de ramp, en zij brachten het slechte nieuws naar Nederland.
Catharina Maria hertrouwde in 1771 met Coenraad Hendrik de Witt, waarna ze verhuisde naar Amsterdam. En toen liep het onderzoek vast en liet ik het een beetje liggen. Je moet nooit te lang op een bepaald probleem blijven staren, want dan komt er nooit wat van terecht. En de andere familietakken boden nog genoeg uitdagingen.
Een paar weken terug ging ik toch maar weer eens spitten, nu in het stadsarchief van Amsterdam. En daar bleek, dat Coenraad in 1787 was overleden. In 1793 woonde zijn weduwe in Zaandam, wat ik wist doordat ze daar een acte van consent voor het huwelijk van haar dochter had laten passeren.
De begraafboeken en impostregisters van Westzaandam heb ik allang vergeefs doorzocht om het overlijden van Catharine Maria te vinden. Absoluut niet te vinden. Jammer maar helaas.
En dan komt internet te hulp, op de website van Het Utrechts Archief vind ik zowaar een vermelding van haar naam, aangaande correspondentie met de Herrnhutters te Zeist. In slot Zeist was namelijk het hart van de Evangelische Broedergemeenschap gevestigd en alle (neem ik aan, het zijn er in elk geval veel) brieven die daarheen werden gestuurd, zijn bewaard gebleven. De ondertekening van de laatste brief ziet er zo uit:

De brief bevatte helaas geen jaartal en ook geen adres. Ik had dus wel wat gevonden, maar het gaf niet echt een hint voor verder onderzoek. Bij het doorbladeren van de index zag ik, dat er ook twee brieven waren van dochter Maria Geertruijda. Die dan ook maar opgevraagd en toen zag ik het volgende:


De dochter woonde in 1790 in Amsterdam en zes jaar later in Haarlem. Dat kwam door haar huwelijk in 1793 met Johan Jacob Reuss, die in Haarlem woonde. En toen kreeg ik de gouden ingeving: stel nu, dat moeders uiteindelijk ook naar Haarlem was gegaan, om bij dochter en schoonzoon in huis te wonen, bijvoorbeeld. Eén blik in de Index Begraven van het Noord-Hollands Archief was voldoende om het volgende kaartje te voorschijn te toveren:

Op het kaartje een verwijzing naar het zogeheten puiboekje, een gedrukte lijst van huwelijken en overlijdens die iedere maand weer werd gemaakt. De boekjes zijn ingebonden en ze staan in de kast op de studiezaal. Het puiboekje van januari 1800 meldt het volgende:

Zo, dat puzzeltje is dan eindelijk opgelost. En dan dient zich meteen weer een nieuwe aan, want waar zijn Maria Geertruijda Simonsz en haar echtgenoot Jacob Johan Reuss gebleven? Van beiden is in Haarlem niets meer terug te vinden. De tijd zal het leren.

Update:
Zo, dat duurde een stuk minder lang dan ik had gedacht, namelijk niet meer dan 4 uur en 51 minuten. Weer een gouden ingeving: de virtuele studiezaal van het CBG, afdeling familieadvertenties. Zoeken op de naam Reuss en ja hoor, de overlijdensadvertentie van Marie Geertruida Simonsz, 28 oktober 1806 in... Rotterdam!